Volg ons

Uitbreiding vrijstelling BV voor ploegenarbeid

deel deze publicatie

De vrijstelling voor doorstorting bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid is sinds 1 januari 2018 uitgebreid naar de werkgevers die actief zijn bij werken in onroerende staat.

 

De uitbreiding is het gevolg van de wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie die de werkgevers extra ademruimte wenst te geven.

 

Als externe adviseurs merken we echter dat deze mogelijkheid nog niet of te weinig gekend is bij het grote publiek.

 

 

1. Werken in onroerende staat

 

De uitbreiding van de vrijstelling bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid is toepasselijk op alle werkgevers die actief zijn in “werken in onroerende staat”. Onmiddellijk wordt hiermee duidelijk dat de bouwsector (PC 124) hieronder valt maar de toepassing is echter veel ruimer dan dat.

 

Het gaat niet enkel om de bouwsector, maar om alle sectoren actief in het bouwen, verbouwen, afwerken, inrichten, herstellen, onderhouden , reinigen en/of afbreken van een uit zijn aard onroerend goed.  Dit wil zeggen dat ook alle loodgieters, elektriciens, poetsdiensten, decorateurs (gordijnen, wand- en vloerbekleders), keuken- en badkamerbouwers, alarminstallateurs, etc. onder het uitgebreide toepassingsgebied vallen van de vrijstelling.

 

 

2. Vrijstelling

 

Werkgevers actief in één van de sectoren hierboven genoemd, zijn vrijgesteld om een deel van de bedrijfsvoorheffing die zij dienen in te houden op het loon van werknemers, door te storten aan de Overheid. Het vrijgestelde bedrag mogen zij dus in hun onderneming houden.

 

Algemeen gunstiger dan de algemene regels voor de vrijstelling ploegenarbeid

 

Voor werkgevers actief buiten werken in onroerende staat gelden strikte voorwaarden om de vrijstelling bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid te kunnen genieten. De uitbreiding van de vrijstelling naar de werken in onroerende staat versoepelt de voorwaarden voor deze groep begunstigden:

 

  1. Er is geen nood van opeenvolgende ploegen: de werknemers dienen wel in ploeg te werken (m.n. met minstens 2 werknemers gelijktijdig dezelfde functie uitvoeren), maar de plicht dat de ploegen elkaar opvolgen is niet voor hen van toepassing.
  2. Complementair werk volstaat: de plicht identieke prestaties te leveren is afgezwakt naar complementaire prestaties.
  3. Bepaald minimumloon: anders dan voor andere sectoren (betalen van een ploegenpremie) dienen de werkgevers actief in werken in onroerende staat een bepaald minimumloon te betalen om te kunnen genieten van de vrijstelling. Het minimumloon bedraagt voor 2018 17,42 EUR/uur (basisbedrag 13,75 EUR).

 

Bijkomende voorwaarde

 

Er is wel 1 strengere voorwaarde opgenomen voor toepassing van de vrijstelling, nl. de werknemers die prestaties uitvoeren “werken in onroerende staat” dienen deze prestaties te presteren op locatie.  Hierdoor komen enkele werknemers die actief zijn op werven in aanmerking.

 

 

Omvang van de vrijstelling

 

Het deel dat vrijgesteld is van doorstorting door de werkgever (de werkgever is wel nog steeds verplicht de normale bedrijfsvoorheffing te laten bereken en in te houden op het loon van zijn werknemers) bedraagt voor 2018 3% van het brutoloon.

 

Vanaf 2019 stijgt de vrijstelling naar 6% en in 2020 volgt een laatste verhoging van de vrijstelling naar 18% van het brutoloon.

 

De vrijstelling wordt berekend op alle belastbare bezoldigingen, met uitzondering van de eindejaarspremie, het vakantiegeld en de achterstallige bezoldigingen.

 

Nieuw is ook dat de vrijstelling niet langer berekend wordt per werknemer maar per groep van werknemers die onder het toepassingsgebied vallen. Dit laatste geldt tevens voor de ploegenvrijstellingen in alle sectoren. Een overschot bedrijfsvoorheffing kan zo overgezet worden op een andere werknemer behorende tot de groep

 

Voorbeeld:

(bron Circulaire 2018/C/76 dd. 15/06/2018)

 

Stel: een onderneming waarvan 4 werknemers in aanmerking komen voor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid, wat het recht opent op een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing tot beloop van 22,8 % (niet “bouwsector”) van hun belastbare bezoldigingen, inclusief premies.

 

 

 

Vóór de aanpassing van 26/03/2018, beperkte de effectieve vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing zich tot: (3X 22,8) + 15 = 83,4  de effectief ingehouden bedrijfsvoorheffing.

 

Vanaf 01/01/2018, kan het tekort aan bedrijfsvoorheffing van 7,8 in hoofde van werknemer 4 gecompenseerd worden ten belope van de bij de werknemers 1 t.e.m. 3 nog “beschikbare” BV, zijnde 6,6. 

 

De totale vrijstelling bedraagt dus vanaf 0101/2018: (3X 22,8)+ 15+ 6,6 = 90

 

Eenvoudig gezegd, de vrijstelling van doorstorting, berekend op de totaliteit van de bezoldigingen van de werknemers die in ploegen werken, zijnde (22,8X 4)= 91,2 mag aangerekend worden op de totaliteit van de op de betrokken bezoldigingen effectief ingehouden bedrijfsvoorheffing, evenwel zonder deze te overschrijden, en bedraagt dus (25X 3) + 15 = 90.

 

 

Indien je hierover meer informatie wenst, contacteer ons dan op het nummer 051 26 82 68  of via e-mail naar info@titeca.be.

 

Gerelateerde publicaties