Volg ons

Zomerakkoord 2017

deel deze publicatie

1. Inwerkingtreding

 

Een eerst wijziging sinds de initiële aankondiging, betreft de inwerkingtreding van de nieuwe maatregelen. Deze zullen nog steeds gefaseerd in werking treden maar de inwerkingtreding is strenger gedefinieerd dan initieel voorzien.

De eerste reeks maatregelen (fase 1) gaan van kracht vanaf aanslagjaar 2019, gekoppeld aan inkomstenjaren die ten vroegste op 1/01/2018 starten.

Indien er dus sprake is van aanslagjaar 2019 maar de onderneming kent bijv. een verlengd boekjaar dat voor 1/01/2018 gestart is, zal zij voor aanslagjaar 2019 toch nog de oude regels dienen toe te passen.

MERK OP!: alle wijzigingen aan inkomstenjaren (=boekjaren) die na 26/07/2017 werden doorgevoerd, zullen op fiscaal vlak zonder uitwerking blijven.

De maatregelen van fase 2 zullen van toepassing zijn vanaf aanslagjaar 2021, gekoppeld aan inkomstenjaren die ten vroegste op 1/01/2020 starten.

 

 

2. Fase 1

 

2.1 Wijziging van het tarief van de vennootschapsbelasting

 

De volledige hervorming draait hoofdzakelijk rond de algemene tariefverlaging van de vennootschapsbelasting. 

In de eerste fase zal dit volgende wijzigingen met zich meebrengen:

 

 

 

Verder wijzigen ook de voorwaarden om het verlaagd tarief te kunnen genieten:

 

 

 

2.1.1 Overgangsregel voor gespreide taxaties van meerwaarden en voorzieningen

In het licht van de tariefdaling werd een specifieke bepaling ingevoerd voor aangelegde voorzieningen en meerwaarden die gespreid belast worden.

Indien een voorziening wordt teruggenomen of een gespreide belasting van meerwaarden wordt in één keer belast wegens onvoldoende herbeleggingen, dan zal het resultaat uit deze verrichtingen belast worden tegen het tarief waartegen deze initieel werden aangelegd. Dus bijv. een voorziening die werd aangelegd in 2016 en dus werd afgetrokken aan 33,99%, zal bij een terugname in aanslagjaar 2019 belast worden tegen 33,99% en niet tegen 29,58%.

 

 

2.2 Overige wijzigingen inzake vennootschapsbelasting

 

2.2.1 Santie wegens onvoldoende bezoldiging aan de bedrijfsleiding

Er werd een nieuwe maatregel ingevoerd om vennootschappen minder voordelig te maken in vergelijking met eenmanszaken. Indien een vennootschap minder dan 45.000 euro bezoldiging toekent aan minstens één bedrijfsleider (natuurlijk persoon), zal zij op het verschil een sanctie van 5,1% betalen. Hierop zijn drie uitzonderingen voorzien:

 

  1. Indien de belastbare winst lager is dan 45.000 euro, volstaat het dat de bezoldiging minstens gelijk is aan de belastbare winst, een eventuele sanctie wordt ook in die zin berekend;
  2. Startende KMO’s zijn gedurende 4 jaar vrijgesteld van deze sanctie;
  3. Indien de vennootschap verbonden is met andere vennootschappen EN de meerderheid van de bestuurders in deze vennootschappen dezelfde personen zijn, dan mogen alle uitgekeerde bezoldigingen aan één en dezelfde persoon over de verschillende vennootschappen heen in aanmerking genomen worden maar stijgt het grensbedrag naar 75.000 euro. Indien de grens niet bereikt wordt, zal de sanctie slechts geheven worden bij de groepsvennootschap met het hoogste belastbare resultaat.

2.2.2 Meerwaarden op aandelen

De stelsels van de meerwaarden op aandelen worden drastisch aangepakt. Zo verdwijnt de afzonderlijke belasting voor grote vennootschappen van 0,4%. Belangrijker is echter dat vanaf nu meerwaarden op aandelen enkel kunnen vrijgesteld worden indien zij aan alle DBI-voorwaarden voldoen, namelijk:

 

  • De aandelen zijn minstens 1 jaar in bezit (=houdduur)
  • De vennootschap bezit minstens 10% van de betrokken aandelen of het aandelenpakket heeft een aanschaffingswaarde van minstens 2,5 mio euro (= participatievoorwaarde)
  • De aandelen komen voort van een vennootschap die een normaal belastingregime ondergaat (= taxatievoorwaarde).

Samengevat:

  • DBI-voorwaarden niet voldaan: normaal tarief (29,58% of 20,4%)
  • DBI-voorwaarden wel voldaan maar < 1 jaar houdduur: 25,5% (of 20,4% = KMO-tarief ven.b.)
  • DBI-voorwaarden wel voldaan EN > 1 jaar houdduur: 0%

Merk op: de participatievoorwaarde is niet verplicht voor aandelen in DBI-Beveks.

 

2.2.3 Aanpassing van bewerkingen in de vennootschapsbelasting + invoering minimumbelasting

Om een minimumbelasting in te kunnen voeren die conform is met de Europese regelgeving, werd de volgorde van de aftrekbewerkingen, na opdeling van resultaat volgens oorsprong in de vennootschapsbelasting, aangepast als volgt:

 

 

2.2.4 Aanpassing DBI-stelstel

Voortaan zal de DBI-aftrek op de kwalificerende ontvangen dividenden 100% bedragen in plaats van 95%.

Echter, bij een belastingvrije fusie, splitsing of bij een inbreng van een bedrijfstak of –algemeenheid, zal de overgedragen DBI-aftrek voortaan ook proportioneel beperkt worden, net zoals de overgedragen verliezen.

 

2.2.5 Wijziging notionele interestaftrek

De notionele interestaftrek zal niet langer aftrekbaar zijn op het kwalificerend opgebouwd eigen vermogen maar enkel op de ‘incrementele toename’ van het eigen vermogen. Dit houdt in dat enkel de aangroei van het kwalificerend eigen vermogen (door kapitaalverhoging of gerealiseerde winsten) nog in aanmerking komt voor de berekening van de notionele interestaftrek. Tevens wordt deze aangroei niet onmiddellijk in aanmerking genomen maar moet deze verder gespreid worden over 5 jaar.

 

De notionele interestaftrek zal aldus in 4 stappen vastgesteld worden:

  1. Bepaling van het gemiddeld kwalificerend eigen vermogen in de 4 voorgaande jaren
  2. Bepaling van het gemiddeld kwalificerend eigen vermogen in de 4 voorgaand jaren + het huidig jaar
  3. Bereken het verschil tussen 1 en 2
  4. Pas het tarief van de notionele interestaftrek, (gewoon of KMO) toe op 3

2.2.6 Verstrenging stelsel voorzieningen

Voortaan zullen voorzieningen enkel nog fiscaal aftrekbaar zijn indien zij werden aangelegd in het kader van:

  • Verbintenissen die werden aangegaan in het belastbaar tijdperk of in één van de voorgaande tijdperken
  • Wettelijke, contractuele of reglementaire verplichtingen, andere dan de louter boekhoudkundige verplichtingen

Hierdoor is het niet meer mogelijk om bijv. een voorziening voor periodiek onderhoud aan vastgoed fiscaal in aftrek te brengen (tenzij hier een contractuele verplichting omtrent zou bestaan).

 

2.2.7 Aanpassing stelsel van vooruitbetaalde kosten

Kosten die betrekking hebben op toekomstige boekjaren, zullen slechts in die boekjaren kunnen afgetrokken worden. Het zal dus niet langer mogelijk zijn bijv. vooruitbetaalde huur in één keer ten laste te nemen van het resultaat.

 

2.2.8 Wijziging stelstel voorafbetalingen

De drempel voor de vermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen wordt afgeschaft.

Tegelijk wordt het tarief van de vermeerdering opgetrokken waardoor dit minstens 6,75% zal bedragen.

 

2.2.9 Wijziging tarief investeringsaftrek

Het tarief van de gewone investeringsaftrek wordt voor KMO’s verder opgetrokken tot 20%. De gewone verhoogde investeringsaftrek is nog steeds niet cumuleerbaar met de notionele interestafrek.

 

MERK OP!: dit nieuwe tarief is van toepassing op investeringen tussen 1/01/2018 en 31/12/2019 ongeacht het boekjaar of aanslagjaar.

 

2.2.10 Aftrekbaarheid fiscale boetes

Voortaan vormen alle boetes inzake directe en indirecte belastingen een verworpen uitgave.

 

2.2.11 Aanpassing nalatigheidsinteresten bij gespreide taxatie

Verder zullen ook nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn bij een spontane terugname van de belastingvrije reserve i.k.v. een gespreide taxatie. Deze zullen op dezelfde wijze berekend worden als de nalatigheidsinteresten door terugname wegens verstrijken van de herbeleggingstermijn.

 

2.2.12 Verhoging vrijstelling tax shelter film en podiumkunsten

De vrijstelling voor tax shelter voor film en podiumkunsten wordt aangepast aan de nieuwe tarieven zodat het globaal rendement gelijk kan gehouden worden voor de investeerder. Zo stijgt de vrijstelling in de eerste fase van 310% naar 356%.

Merk wel op dat het globaal rendement wel stijgt omdat de belasting op de verkregen interest daalt door de tariefaanpassing.

 

2.2.13 Wijziging vrijstelling voor inschakelbedrijven

Voor de inschakelbedrijven zullen zich twee wijzigingen voordoen.

De belangrijkste wijziging bestaat er in dat de aangroei van de reserves niet langer automatisch vrijgesteld is. De vrijstelling zal bepaald worden via een formule: aantal doelgroepwerknemers x grensbedrag.

Het grensbedrag is het brutojaarloon van de doelgroepwerknemer met een minimum van 7.440 euro (te indexeren). Voor aanslagjaar 2019 zal het geïndexeerd minimumbedrag vermoedelijk ± 13.500 euro bedragen.

Daarnaast zal de dubbele vrijstelling voor bepaalde gewestelijke premies niet langer mogelijk zijn.

 

2.2.14 Beperking aftrek DBI-overschot en overschot innovatie-aftrek

Indien zich een controlewijziging voordoet die niet voldoet aan rechtmatige financiële of economische motieven, zullen voortaan niet enkel de overgedragen verliezen beperkt worden maar ook de overgedragen DBI en innovatie-aftrek.

 

 

2.3 Wijzigingen inzake personenbelasting

 

2.3.1 Kapitaalverminderingen

Vanaf 1/01/2018 wijzigt het fiscaal regime bij kapitaalverminderingen. Indien een vennootschap een kapitaalvermindering doorvoert en zij tevens belaste reserves, overgedragen winst of in het kapitaal geïncorporeerde belastingvrije reserves heeft, zal een deel van de kapitaalvermindering als dividend beschouwd worden waarop roerende voorheffing verschuldigd is.

Om vast te stellen welk bedrag aan dividend wordt uitgekeerd bij een kapitaalvermindering, moet volgende formule gevolgd worden:

 

 

De uitkomst van deze breuk zal onderhevig zijn aan de roerende voorhefing. De resterende som van de kapitaalvermindering zal zoals voorheen belastingvrij kunnen uitgekeerd worden.

Volgende reserves moeten echter nooit in rekening gebracht worden in de breuk:

  • Wettelijke reserve ten belope van het wettelijk minimum
  • Overige belastingvrije reserves
  • Onbeschikbare reserves (bijv. in het kapitaal geïncorporeerde onbeschikbare herwaarderingsmeerwaarden)
  • Liquidatiereserve (gewone en bijzondere)
  • Negatieve belaste reserves (behalve overgedragen verlies)

Bij een kapitaalvermindering van kapitaal dat werd gecreëerd in de vastklikoperatie, moet bovenstaande berekening niet gemaakt worden. Dergelijke kapitaalverminderingen kunnen ongeacht hun datum steeds volledig belastingvrij gebeuren.

Merk op: om de boekhouding en fiscale aangifte gelijk te houden, kan geopteerd worden om bij een kapitaalvermindering spontaan een dividend uit te keren. In de mate dat dit dividend minstens gelijk is aan bovenstaande berekening, moet geen bijkomend dividend meer worden uitgekeerd.

 

2.3.2 Stopzettingsmeerwaarden

Het stelsel van de stopzettingsmeerwaarden wordt aangepast om ondernemers aan te moedigen om via een eenmanszaak te blijven werken. Men wil dit bereiken door de eindtaxatie van een eenmanszaak bij pensionering of bij gedwongen stopzetting te verlagen.

Het nieuwe stelsel zal er als volgt uitzien:

 

 

MERK OP!: Bij de omzetting van een eenmanszaak in een vennootschap, ongeacht de leeftijd van de betrokken ondernemer, zullen echter steeds de hogere tarieven van toepassing. De omzetting kan dus nooit gebeuren tegen het tarief van 10%.

 

2.3.3 Autofiscaliteit

Vanaf 1/01/2018 wordt het stelsel van de autokosten en meerwaarden op auto’s in de personenbelasting geharmoniseerd met dit van de vennootschapsbelasting. Bijgevolg zal de aftrekbaarheid van de kosten afhankelijk zijn van de co2-uitstoot van de wagen tegelijk zal de meerwaarde ook volgens deze schalen belastbaar zijn.

De schalen zullen normaliter de volgende zijn:

Auto’s die werden gekocht/besteld voor 1/01/2018 blijven echter voor minstens 75% aftrekbaar.

 

2.3.4 Wijziging tarief investeringsaftrek

Het tarief van de gewone investeringsaftrek wordt verder opgetrokken tot 20% voor investeringen tussen 1/01/2018 en 31/12/2019.

 

2.3.5 Wijziging stelsel van pensioensparen

De belastingplichtige heeft voortaan de keuze tussen twee stelsels:

  • Belastingvermindering van 30% met een maximumbedrag van 960 euro (=vermindering van 288 euro)
  • Belastingvermindering van 25% met een maximumbedrag van 1.200 euro (=vermindering van 300 euro)

2.3.6 diverse kleine aanpassingen in de personenbelasting

  • Vrijstelling op éérste schijf van 640 euro van de ontvangen dividenden. Dit zal niet automatisch gebeuren maar moet via de aangifte personenbelasting gebeuren. De belastingplichtige heeft zelf de keuze welke dividenden onder de eerste schijf vallen en hij kan bijgevolg opteren om enkel dividenden met het hoogste tarief van roerende voorheffing vrij te laten stellen. Bepaalde specifieke vrijstellingen op dividenden (bijv. van erkende coöperatieve vennootschappen) werden geschrapt ter compensatie. MERK OP!: de schijf zal vanaf inkomsten in 2019 verder opgetrokken worden naar 800 euro.
  • Vrijstelling op interesten op gereglementeerde spaarboekjes zal dalen tot 960 euro (i.p.v. 1.880 euro).
  • Beurstax stijgt tot 0,35% voor aankopen van aandelen en tot 0,12% voor de aankopen van obligaties.

 

2.4 Overige wijzigingen

 

2.4.1 Wijzigingen op vlak van procedure

  1. Belastingsupplementen ingevolge een fiscale controle zullen niet langer kunnen verminderd worden met fiscale aftrekposten (bijv. fiscale verliezen) indien tevens een belastingverhoging wordt opgelegd. Enkel de DBI-aftrek van het jaar zelf is nog verrekenbaar met het belastingsupplement. Dit is van toepassing voor controles over aanslagjaar 2019 en volgende.
  2. Nalatigheidsinteresten zullen steeds tussen de 4% en 10% liggen. De moratoriuminteresten zullen steeds 2% lager zijn dan de nalatigheidsinteresten.
  3. De belastbare minimumwinst bij niet-aangifte zal geleidelijk aan stijgen, o.a. in functie van de tariefdalingen. Bij een eerste overtreding zal de belastbare minimumwinst voortaan 34.000 euro bedragen in plaats van 19.000 euro. Dit bedrag zal tevens ieder jaar geïndexeerd worden. Verder zal dit bedrag stijgen met iedere bijkomende niet-aangifte  
  • 2de inbreuk: +25%
  • 3de inbreuk: +50%
  • 4de inbreuk: +100%
  • 5de inbreuk: +200%

2.4.2 Winstpremies voor personeel

In het zomerakkoord werd ook een nieuw systeem ingevoerd om werknemers een bonus toe te kennen op een fiscaal vriendelijke manier. In essentie kan een werkgever kiezen om een deel van de winst van het boekjaar uit te keren aan zijn personeel.

 

De toekenning moet een collectieve bonus betreffen die ofwel aan alle personeelsleden een gelijk bedrag of gelijk percentage van het loon toekent, ofwel aan alle personeelsleden een premie toekent met gedifferentieerde omvang  op basis van objectieve criteria (bijv. het normaal loon, behaalde KPI’s, etc.).

 

De totaliteit van de toegekende premies mogen echter maximaal 30% van de totale brutoloonmassa van de werkgever uitmaken. Dus bij een onderneming met bijv. een winst van 1 mio euro en een totale loonmassa van 450.000 euro, mag de totaliteit van dergelijke premies maximaal 135.000 euro bedragen. Als de winst lager is dan dit bedrag, mag uiteraard maximaal het bedrag van de uitkeerbare winst verdeeld worden onder het personeel.

 

Het stelsel is volledig facultatief en er geldt geen recurrentie-verplichting in hoofde van de werkgever. De werkgever kan dus vrij ieder jaar kiezen of hij de premie al dan niet toekent en voor welk bedrag.

 

Fiscaal wordt de premie relatief voordelig belast:

  • RSZ-werkgever: 0%
  • RSZ-werknemer: 13,07% solidariteitsbijdrage
  • BV werknemer: 7%.

MERK OP!: Dergelijke premies kunnen toegekend worden vanaf 1/01/2018 maar ten vroegste op winst van boekjaren afgesloten vanaf 30/09/2017.

 

2.4.3 Aanpassing Wyninckxbijdrage

Vanaf 1 januari 2018 stijgt de Wyninckxbijdrage van 1,5% naar 3%. Gezien de stijging van toepassing is vanaf 2018, zal het hogere tarief ook al toegepast worden op de premies van 2017 die het grensbedrag (voor 2017 31.836 euro) overschrijden.

 

 

 

3. Fase 2

 

3.1 Wijziging van het tarief van de vennootschapsbelasting

 

In de tweede fase, dus vanaf aanslagjaar 2021 zal het tarief van de vennootschapsbelasting verder dalen:

 

 

 

3.2 Overige wijzigingen inzake vennootschapsbelasting

 

3.2.1 Wijziging autofiscaliteit

De aftrekbaarheid van de autokosten zal in de tweede fase volledig herwerkt worden. Vanaf dan zal de aftrekbaarheid van autokosten (inclusief brandstofkosten) niet langer via schalen bepaald worden maar via formules, namelijk:

  • Dieselwagens: 120% - (0,5% x 1 x co2/km
  • Benzinewagens: 120% - (0,5% x 0,95 x co2/km
  • Aardgas met fiscale pk < 12: 120% - (0,5% x 0,9 x co2/km)
  • De uitkomst van de formule, tot 2 cijfers na de komma, bepaalt vervolgens de aftrekbaarheid. Hierbij geldt steeds een maximum van 100% en een minimum van 50%, behalve indien de co2-uitstoot ≥ 200 gr co2/km, voor dergelijke voertuigen wordt de aftrek beperkt tot 40%.

Ook voor elektrische wagens zal de maximale aftrekbaarheid 100% zijn i.p.v. 120% zoals we dit nu kennen. De autokosten die doorgerekend worden, zullen steeds 100% aftrekbaar zijn. Ook voertuigen die voor bepaalde activiteiten gebruikt worden (bijv. taxidiensten of rijscholen), blijven 100% vrijgesteld.

 

Om ‘valse hybrides’ af te straffen, zal voor de berekening van de aftrekbaarheid van de kosten EN voor de berekening van het voordeel in natura niet langer de opgegeven co2-uitstoot gebruikt worden. Voor dergelijke wagens moet de co2-uitstoot gehanteerd worden die als volgt wordt vastgesteld:

  • de co2-uitstoot van een gelijkaardig model met een verbrandingsmotor, of, bij gebrek aan dergelijk model
  • de officiële co2-uitstoot vermenigvuldigd met 2,5.

Er is sprake van een ‘valse hybride’ indien de wagen via een externe bron kan opgeladen worden en ofwel een batterijcapaciteit heeft die lager dan 0,5 kWh/ 100kg wagengewicht of een co2-uistoot heeft van meer dan 50g/km

 

De ‘valse hybrides’ die werden aangekocht/besteld voor 1/01/2018 blijven echter buiten schot. Voor dergelijke wagens mag de officiële co2-uistoot gehanteerd worden voor de berekening van het voordeel in natura of de aftrekbaarheid.

 

3.2.2 Stijging sanctie wegens onvoldoende bezoldiging aan een bedrijfsleider

De sanctie van 5,1%, ingevolge onvoldoende bezoldiging aan minstens één bedrijfsleider stijgt naar 10%.

 

3.2.3 Afschaffing bepaalde vrijstellingen

Volgende vrijstellingen worden afgeschaft en kunnen dus niet meer bijkomend worden aangelegd:

  • 120% aftrek voor elektrische voertuigen
  • 120% aftrek op georganiseerd gemeenschappelijk woon-werkverkeer
  • Meerwaarde op ongebouwde onroerende goederen door vennootschappen voor huisvesting
  • Vrijstelling voor bijkomend personeel (IKZ, uitvoer)
  • Vrijstelling van 40% van de bezoldiging van stagiairs
  • Vrijstelling voor bijkomend personeel in KMO’s
  • Vrijstelling voor sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut

3.2.4 Aanpassing afschrijvingsstelsels

De afschrijvingsregels voor vennootschappen worden aangepast waardoor voor alle vennootschappen:

  • degressieve afschrijvingen niet meer mogelijk zullen zijn
  • het verplicht wordt om in het jaar van investering pro rata temporis af te schrijven

Ook zullen KMO’s de bijkomende kosten enkel nog in één keer kunnen ten laste nemen van het resultaat of mee afschrijven met de hoofdsom. Een apart stelsel voor de bijkomende kosten is dus niet meer mogelijk.

 

MERK OP!: deze maatregel treedt in werking voor alle investeringen vanaf 1/01/2020, ongeacht het boekjaar of het aanslagjaar!

 

3.2.5 Mobilisering van de vrijgestelde reserves

Tijdens de aanslagjaren 2021 en 2022 zal een (facultatief) afzonderlijk stelsel van toepassing zijn dat zal toelaten om bepaalde belastingvrije reservesom te zetten in belaste reserves tegen 15%. Echter, enkel reserves die aangelegd werden tijdens belastbaar tijdperk dat afsluit voor 1/01/2017 komen in aanmerking voor dit stelsel.

 

Indien het opgenomen bedrag geherinvesteerd wordt in afschrijfbare materiële vaste activa (behalve personenwagens, etc.) daalt dit tarief zelfs naar 10%. Merk wel op dat één actief slechts één keer als herbelegging kan beschouwd worden. Activa die als herbelegginsactief aangemerkt zijn voor bijv. een gespreide taxatie kunnen niet in aanmerking komen als investering voor deze maatregel.

 

Indien geopteerd wordt voor dit systeem, zullen de omgezette bedragen steeds belast worden, er zullen aldus geen aftrekposten op van toepassing zijn. Deze bijkomende belasting is wel onderhevig aan de voorafbetalingen en een eventuele vermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen.

 

Het betreft volgende belastingvrije reserves:

  • Monetaire meerwaarden
  • Vrijgestelde reserves wegens 120% kostenaftrek
  • Investeringsreserves op voorwaarde dat de herbeleggingstermijn van 3 jaar verstreken is.

Het is op heden niet 100% duidelijk of de vrijgestelde reserves die werden aangelegd door inschakelbedrijven ook onder deze maatregel zullen vallen.

 

3.2.6 Wijzigingen inzake credit rekening-couranten

In de nieuwe regelgeving zal er geen discussie meer mogelijk zijn of een credit rekening-courant al dan niet een geldlening is. De wetgeving inzake herkwalificatie van interesten in dividenden werd aangepast zodat voortaan alle voorschotten (voorheen ‘geldleningen’) in aanmerking komen voor de herkwalificatie.

 

Verder werd ook de term ‘marktrente’ aangepaste naar een vaste formule. Voortaan is de maximale interestvoet alvorens geherkwalificeerd wordt gelijk aan de MFI-rente van november van het voorgaand jaar verhoogd met 2,5%. Voor november 2017  (en dus interesten in 2018) zou dit 4,2% geweest zijn.

 

MERK OP!: deze bepalingen zijn slechts van toepassing voor interesten toegekend in de periode na 31/12/2019.

 

3.2.7 Beperking aftrek verliezen buitenlandse vaste inrichting

De verliezen van een buitenlandse vaste inrichting in een land waar België een dubbelbelastingverdrag mee heeft afgesloten, zullen pas kunnen afgetrokken worden van de Belgische winst indien:

  • De verliezen definitief zijn (= na verkoop van het actief of stopzetting van de activiteit)
  • De verliezen op geen enkele manier in aftrek genomen zijn bij de belastingberekening in het buitenland.

Indien de activiteit binnen de drie jaar heropgestart wordt, zullen de afgetrokken verliezen terug belastbaar worden in België.

 

MERK OP!: deze bepalingen zijn al van toepassing vanaf 1/01/2019.

 

3.2.8 Meerwaarden op aandelen

Door de tariefwijziging in fase 2, wijzigt ook het stelsel voor meerwaarden op aandelen. Samengevat zullen deze meerwaarden op aandelen als volgt belast worden:

  • Alle DBI-voorwaarden inclusief houdduur van min. 1 jaar voldaan: 0%
  •  Alle andere gevallen: normaal tarief (25% of 20%)

3.2.9 Invoering van stelsel van fiscale consolidatie

Binnen bepaalde groepen van vennootschappen zal een vorm van fiscale consolidatie mogelijk zijn. Hierdoor zullen verliezen van de ene groepsvennootschap kunnen gebruikt worden in andere groepsvennootschappen met winst.

 

Dit zal mogelijk zijn door de overdracht van een ‘groepsbijdrage’ tussen twee groepsvennootschappen. Hierbij zal de ene vennootschap haar verlies ‘verkopen’ aan de vennootschap met winst. De verkoopprijs is gelijk aan het fiscaal voordeel op het overgedragen verlies. Deze verkoop zorgt ervoor dat er geen verlies aan vermogen is bij de ene vennootschap en geen aangroei van vermogen in de andere. De verkoop zelf zal fiscaal geneutraliseerd  worden bij beide vennootschappen.

 

Om de groepsbijdrage toe te passen moeten enkele voorwaarden voldaan zijn:

  • De moedervennootschap moet gedurende het hele belastbaar tijdperk rechtstreeks of onrechtstreeks minstens 90% bezitten van de betrokken vennootschap(pen)
  • Er moet gedurende een termijn van minstens 5 jaar een band zijn tussen de betrokken vennootschappen
  • De overdracht moet boekhoudkundig verwerkt zijn bij beide vennootschappen
  • Enkel het verlies van het boekjaar zelf kan overgedragen worden, geen historische verliezen
  • De betrokken vennootschappen mogen geen bijzonder belastingtarief genieten.
  • De afsluitdatum van de betrokken vennootschappen moet gelijk zijn
  • De vennootschap die het verlies overdraagt mag geen onroerend goed (of zakelijk recht op dergelijk onroerend goed) ter beschikking stellen aan haar bestuursorgaan of aandeelhouders.

3.2.10 Wijziging stelsel van de aanslag geheime commissielonen

Vanaf fase 2 zal de aanslag geheime commissielonen niet langer aftrekbaar zijn als beroepskost. Tevens zal het ‘voordeeltarief’ van 50% verdwijnen zodat steeds een taxatie aan 100% wordt toegepast.

 

3.2.11. Verdere stijging vrijstelling tax shelter

Gezien het tarief in fase 2 verder daalt, stijgt de vrijstelling voor tax shelter voor film en podiumkunsten verder om de daling in het rendement door het lager tarief te compenseren. In de tweede fase stijgt de vrijstelling aldus verder van 356% naar 421%.

 

 

3.3 Wijzigingen inzake personenbelasting

 

3.3.1 Autofiscaliteit

Zie 2.2 inzake de vennootschappen gezien beide stelsels identiek zullen zijn.

 

MERK OP!: de nieuwe regels gelden ook voor wagens van voor 1/01/2018 maar deze wagens blijven voor minstens 75% aftrekbaar. De uitzondering voor ‘valse hybrides’ van voor 1/01/2018 geldt ook in de personenbelasting.

 

 

3.4 Overige wijzigingen

 

3.4.1 Verdere stijging minimumwinst bij niet-aangifte

De belastbare minimumwinst zal in de 2de fase verder stijgen van 34.000 naar 40.000 euro. Ook de verhogingen wegens opeenvolgende inbreuken zal van toepassing blijven.

 

 

4. Niet behandelde wijzigingen

 

Onderstaande wijzigingen werden niet opgenomen in bovenstaande lijst maar zijn wel goedgekeurd:

  • Aanpassing vrijstelling doorstoring BV voor wetenschappelijk personeel (fase 1)
  • Proratisering van bepaalde voordelen in de PB indien er geen volledig inkomstenjaar is (anders dan door overlijden) (fase 1)
  • Beperking interestaftrek indien interestkost > 3 mio euro (fase 2)
  • Hybride mismatches (diverse inwerkingtredingen)
  • Boeking van een disconto op niet-afschrijfbare activa vormt niet langer een aftrekbare kost
  • Aanpassing van de exit-heffing
  • Wijziging van de CFC-regelgeving (fase 2)

Indien je hierover meer informatie wenst, contacteer ons dan op het nummer 051 26 82 68  of via e-mail naar info@titeca.be.

Gerelateerde publicaties